De Koninklijke Maatschappij De Schelde is onlosmakelijk met Vlissingen en Zeeland verbonden. Maar ook buiten de provincie is er volop Schelde-geschiedenis te vinden. In deze serie gaat Schelde Schakels op zoek naar die stukjes verleden.

Voor deze editie reizen we naar de andere kant van de wereld, want ‘down under’ is er een stukje Schelde-geschiedenis te vinden, maar alleen als je heel goed kijkt. Onder het zand van een idyllisch strand in Myall Lakes National Park, New South Wales, liggen namelijk de resten van de Schelde-onderzeeboot Hr.Ms. K IX verborgen. Het grootste deel van de tijd is de onderzeeboot niet zichtbaar, maar heel af en toe komen delen van de romp bloot te liggen.

Tekst: Eefje Koppers

De K IX was de tweede onderzeeboot in de K VIII-klasse voor de Koninklijke Marine. De K-klasse, of de Koloniën-klasse, onderzeeboten werden speciaal ontwikkeld voor dienst in Nederlands-Indië. De omstandigheden in de regio vereisten een ander type boot dan de O-klasse onderzeeboten die voor Europese wateren werden gebouwd. Omdat de K-boten een veel grotere actieradius nodig hadden dan de O-klasse, was de eerste koloniale onderzeeboot, de K I, bijna twee keer zo groot en zwaar als de onderzeeboten van de O 2-klasse.

De drie onderzeeboten van de K VIII-klasse met in het midden Hr.Ms. K IX. De drie onderzeeboten van de K VIII-klasse met in het midden Hr.Ms. K IX.

De K IX werd op 27 juni 1917 besteld bij de Koninklijke Maatschappij De Schelde. Na de kiellegging op 1 maart 1919 in Vlissingen werd de onderzeeboot op 21 juni 1923 in dienst gesteld bij de Koninklijke Marine. De 64,4 meter lange onderzeeboot vertrok op 28 februari 1924 uit Vlissingen en voer zonder begeleiding en op eigen kracht via Portland, Plymouth, Sevilla, Tunis, Alexandrië, Port Said, Suez, Aden en Colombo naar Sabang in Nederlands-Indië.

Na jaren van trouwe dienst in de regio werd de K IX in 1941 uit dienst genomen, maar toen de Japanse troepen begin 1942 snel oprukten door Zuidoost-Azië, werd de onderzeeboot in maart haastig weer operationeel gemaakt. Na het instorten van de geallieerde verdedigingslinies in Nederlands-Oost-Indië vluchtte het schip naar Australië, waar het op 13 maart 1942 aankwam in Fremantle, West-Australië. Vandaaruit vertrok de onderzeeboot naar Sydney, waar het ternauwernood de Japanse aanval op de haven overleefde.

Hr.Ms. K IX in aanbouw op De Schelde-werf

Op 28 mei 1942 vertrok er vanaf de Japanse onderzeeër I-21 een verkenningswatervliegtuig dat over de haven van Sydney vloog en dertien geallieerde oorlogsschepen identificeerde, waaronder de K IX. In de nacht van 31 mei op 1 juni 1942 werden drie Japanse mini-onderzeeërs ingezet voor een aanval. Het belangrijkste doelwit was de zware kruiser USS Chicago, die vlak naast het bevoorradingsschip HMAS Kuttabul en de K IX lag afgemeerd. Een van de mini-onderzeeërs vuurde twee torpedo’s af die allebei de USS Chicago misten. Eén passeerde onder de K IX en de HMAS Kuttabul door, maar raakte de golfbreker waaraan de Kuttabul lag afgemeerd. Door de schokgolf kantelde de onderzeeboot, werden de dieselmotoren uit hun steunen getild en raakten de achterste batterijen beschadigd. Ook werd het voorste deel van de bovenbouw van de onderzeeboot verpletterd toen HMAS Kuttabul zonk en tegen de K IX botste.

De schade was omvangrijk. Op 1 juni 1942 werd de K IX weggesleept en onderging een langdurige reparatieperiode op een nabijgelegen werf. Om te voorkomen dat informatie over schepen van de Koninklijke Marine die actief waren in het zuidwestelijke deel van de Stille Oceaan in handen van de Japanners zou vallen, werd nergens melding gemaakt van de aanwezigheid of de schade aan de K IX.

Hr.Ms. K IX voer in 1924 zonder begeleiding en op eigen kracht naar Sabang in Nederlands-Indië. Hr.Ms. K IX voer in 1924 zonder begeleiding en op eigen kracht naar Sabang in Nederlands-Indië.

Na de reparaties bood de Nederlandse regering de K IX aan de Royal Australian Navy (RAN) aan voor gebruik bij trainingen in onderzeebootbestrijding. Daar werd de boot op 22 juni 1943 in dienst genomen als HMAS K9. Ondanks haar leeftijd en chronische mechanische problemen speelde de K9 een waardevolle rol als opleidingsschip voor onderzeebootbestrijding. Ze was de enige onderzeeër die tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de RAN in dienst werd genomen en bood Australische bemanningen zeldzame praktijkervaring in het opsporen en volgen van onderzeeërs, in een tijd waarin dergelijke vaardigheden dringend nodig waren.

De operationele bruikbaarheid was echter beperkt. Op 22 januari 1944 veroorzaakte een explosie in de accu aanzienlijke verdere schade. Omdat er geen reserveonderdelen beschikbaar waren en de onderzeeër het einde van haar levensduur al naderde, werd HMAS K9 op 31 maart 1944 buiten dienst gesteld, nadat ze tijdens haar dienst bij de RAN slechts 31 dagen op zee had doorgebracht.

De K9 kwam opnieuw in Nederlandse dienst als K IX, ditmaal als olietransportschip. Maar pech bleef de onderzeeboot achtervolgen. Terwijl de boot door de Nederlandse mijnenveger Hr.Ms. Abraham Crijnssen uit Sydney werd gesleept, brak in de nacht van 7 op 8 juni de sleepkabel. De bemanning van de Abraham Crijnssen merkte dit pas bij zonsopkomst op en toen was de K IX niet langer in zicht.

Hr.Ms. K IX strandt op Fiona Beach

Er werd een vliegtuig ingezet om naar de onderzeeboot te zoeken en rond 15.00 uur werd de K IX gespot voor de kust van Sugarloaf Point. De boot was nog niet gestrand, maar de zoektocht werd afgebroken omdat het donker begon te worden. Toen het vliegtuig de volgende ochtend terugkeerde, lag de onderzeeboot op het strand dat toen nog Fiona Beach heette. Na een tevergeefse poging van de Hr.Ms. Abraham Crijnssen om het wrak vlot te trekken, besloot de Koninklijke Marine dat de kosten te hoog waren om een nieuwe poging te wagen.

Nederland gaf de Australische Commonwealth Disposals Commission toestemming om het gestrande wrak als schroot te verkopen. Het werd verkocht aan twee Australische ingenieurs, de heren Humphrey & Batt uit Sydney voor een bedrag van 985,37 Australische ponden. De lokale bevolking was al begonnen de dieselmotor met de hand eruit te halen. De nieuwe eigenaren haalden de rest van de brandstof en waardevolle metalen eruit, maar lieten de romp liggen omdat deze al te diep onder het zand lag om te kunnen worden verplaatst.

De K IX bleek een toeristische trekpleister en in 1977 werd het strand officieel omgedoopt tot Submarine Beach. In 1984 verdween het wrak onder het zand. De laatste keer dat de onderzeeboot zichtbaar was, was in 2001. Tijdens een zware storm werden grote hoeveelheden zand weggeslagen en kwamen delen van de romp tijdelijk bloot te liggen. Al snel was het wrak opnieuw door zand bedekt en het wachten is op de volgende storm.

Bronnen:
The Dutch Australian Cultural Centre
Dutchsubmarines.com
Van Gent, Tobias & Ron van Maanen, Luctor et Emergo: De onderzeeboten van de Koninklijke Maatschappij De Schelde 1905-1958, Middelburg: Het Boekenschap, 2018, pp. 62, 94-95.