In de Schelde Schakels-serie ‘Achter de Schermen’ belicht Damen Naval Senior Communication Advisor Eefje Koppers verschillende afdelingen en activiteiten van de Vlissingse Damen-bedrijven.

Op een koude decemberochtend in 2024 stond ik in alle vroegte op onze werf in Vlissingen-Oost te wachten tot Combat Support Ship Den Helder aan zou komen. Met witte verf waren de woorden “CSS Brug” op de kade gespoten, zodat vanaf de brug duidelijk was waar het 179,5-meter-lange schip moest komen te liggen. Het was een bijzonder moment toen het schip langzaam zichtbaar werd en langs de kade kwam om aan te meren. Het was ook het moment waarop het zaadje voor dit artikel werd geplant; want hoe meer je nou zo’n schip aan?

Tekst: Eefje Koppers

Bij Damen Naval doen we voor het aanmeren van schepen een beroep op Gerard Karelse. Hij begon in 1977 op de Bedrijfsschool van de Koninklijke Maatschappij De Schelde als lasser en is tegenwoordig Senior Voorman Outfitting, maar hij heeft gedurende zijn hele carrière iedere kans aangegrepen om nieuwe dingen te leren en meer ervaring op te doen. “Naast mijn opleiding als lasser heb ik ook ervaring als pipefitter en plaatwerker. Ik heb altijd cursussen gedaan om mijn kennis uit te breiden, want het is makkelijk als je van alles kunt. Het bedrijf heeft meer multifunctionele mensen nodig”, legt hij uit. “Ik heb er ook altijd voor opengestaan om te helpen als er om hulp werd gevraagd bij specialistische werkzaamheden. Jaap Janse, die inmiddels met pensioen is, deed veel met het aan- en afmeren en ik heb het van hem geleerd en ik heb een cursus bij de Vlissingse Bootliedenwacht (VLB) gedaan. Dan ga je helpen en als er mensen met pensioen gaan, neem je het van hen over.”

Aankomst Combat Support Ship Den Helder in Vlissingen: de eerste tros is al belegd en de tweede wordt met behulp van een keesje naar de wal getrokken. Aankomst Combat Support Ship Den Helder in Vlissingen: de eerste tros is al belegd en de tweede wordt met behulp van een keesje naar de wal getrokken.

In zijn bijna 49 jaar bij De Schelde/Damen Naval heeft Gerard heel wat schepen op de werf gezien. “Ik ben begonnen op de S-fregatten en de M-fregatten. Ik heb gewerkt aan de hydrografen, de TESO-veerboot Dokter Wagemaker en MENAS-vrachtschip Relume.” Toen de patrouilleschepen van de Holland-klasse werden gebouwd, was Gerard een van de Voormannen op het project. “Als Voorman zie je pas echt wat scheepsbouw inhoudt. Als Productiemedewerker doe je alleen het werk waarvoor je aan boord komt, maar als Voorman moet je alles regelen en in de gaten houden.” Het was een goede leerschool voor zijn latere werk als garantienazorg in Den Helder en andere projecten zoals de bouw van de Indonesische SIGMAs en de ombouw van M-fregatten Zr.Ms. Van Amstel, Zr.Ms. Van Speijk en de Belgische Louise-Marie.

Voordat een schip op de werf komt, wordt er met de bemanning overlegd hoe ze willen aanmeren en er wordt er door het Yard & Transport-team van het Project Management Office (PMO) een meerplan gemaakt. Hierin komt bijvoorbeeld hoeveel en welke trossen er worden gebruikt en aan welke meerpalen of bolders het schip komt te liggen. Een tros is een bundel gevlochten touw dat eindigt in een lus, of oogsplits, die vaak versterkt is met stukken brandweerslang om slijtage te verminderen. Vroeger werden trossen gemaakt van natuurvezels, maar tegenwoordig worden synthetische vezels gebruikt, want die zijn lichter, sterker en rotten niet. Trossen komen in verschillende diameters en het schip bepaalt welke er worden ingezet.

De werplijn van het keesje wordt aan de tros vastgemaakt die dan vervolgens door het kluisgat naar de wal wordt getrokken. De werplijn van het keesje wordt aan de tros vastgemaakt die dan vervolgens door het kluisgat naar de wal wordt getrokken.

Vanaf het schip worden er vier soorten trossen belegd. De voortros loopt vanaf de boeg schuin naar voren naar de wal en voorkomt zo dat het schip naar achteren drijft. De achtertros loopt vanaf de achtersteven schuin naar achteren naar de wal en voorkomt dat het schip naar voren drijft. De voorspring loopt van de boeg schuin naar achteren, terwijl de achterspring van de achterkant schuin naar voren loopt. Zij houden het schip op zijn plek.

Op het moment dat het schip langs de kade komt te liggen, worden er vanaf het schip ‘keesjes’ naar de wal gegooid. Dit zijn leren zakjes gevuld met zand aan een werplijn. “Aanmeren doe je als duo op de kade”, legt Gerard uit. “Per bolder sta je met zijn tweeën te wachten op het keesje en leg je de tros rond de bolder.” Als het keesje op de kade ligt, wordt de werplijn vastgemaakt aan de scheepstros die vervolgens door een kluisgat (ook wel een schulp genoemd) naar de kade wordt geleid. De lus wordt om de bolder gedaan, waarna het werk aan boord kan beginnen om de verschillende trossen te beleggen.

Op deze foto van de Midlife Update van Zr.Ms. Johan de Witt in 2022 is het voordek goed te zien met daarop de verschillende bolders waaraan de trossen kunnen worden belegd. Op deze foto van de Midlife Update van Zr.Ms. Johan de Witt in 2022 is het voordek goed te zien met daarop de verschillende bolders waaraan de trossen kunnen worden belegd.

Hoewel de mensen op de kade alert moeten zijn op rondvliegende keesjes, gebeurt het meeste werk bij het aanleggen aan boord. En als ik de verhalen van Gerard mag geloven, is het één van de gevaarlijkste klussen die een bemanning uitvoert. “Trossen zijn onderhevig aan slijtage en als er spanning op komt te staan tijdens het beleggen, kan het gebeuren dat de tros breekt. Dan springen beide kanten van de tros met een noodvaart terug naar de bolder.” Dat springen wordt ook wel zweepslag of het ‘snap-back’ effect genoemd, waarbij de uiteinden van de tros met enorme snelheid door de lucht schieten. Dat kan levensgevaarlijk zijn voor de mensen aan dek en op de kade.

Om het werk beter te illustreren, kregen we toestemming om aan boord van Landing Platform Dock Zr.Ms. Johan de Witt te kijken hoe het aanmeren aan boord eraan toegaat. Op een marineschip is de Nautische Dienst verantwoordelijk voor onder andere het aanmeren. Sergeant-Majoor Richard is de Schipper aan boord van Zr.Ms. Johan de Witt en nam ons mee om te kijken hoe zijn team het schip had aangemeerd in de haven van Den Helder.

Het aanleggen van een stop voorkomt dat de tros losschiet, zodat hij veilig om de bolders belegd kan worden. Foto's: Mihnea Udrea. Het aanleggen van een stop voorkomt dat de tros losschiet, zodat hij veilig om de bolders belegd kan worden. Foto's: Mihnea Udrea.

Marineschepen worden als extra beveiliging veelal met dubbele trossen aangemeerd. De Johan de Witt lag aan stuurboordzijde afgemeerd, wat betekende dat op het voordek de stuurboordbolder en de centrale bolder werden gebruikt voor de trossen. Als het schip wordt aangemeerd en de troslussen om de bolders op de kade zijn bevestigd, wordt de tros om een motorische spil gedraaid tot de juiste spanning is bereikt. Dan wordt er een stop aangelegd, zodat de tros niet losschiet en veilig om de bolder op dek belegd kan worden. Het zijn dubbele bolders waar de trossen in achtjes omheen worden gewikkeld en er passen twee trossen op een bolder.

Richard liet me zien hoe een stop wordt aangebracht en legde uit dat dit eigenlijk het gevaarlijkste deel van het werk is. Gelukkig lag het schip al vast en mocht ik in alle rust oefenen hoe zo’n stop wordt aangelegd. Dat vereist niet alleen vaardigheid, maar ook kracht, want trossen zijn zwaar! En bij het echte wordt er met meerdere trossen gesleept en gesjouwd. Maar voordat het zover is, is er nog een andere vaardigheid die de Nautische Dienst onder de knie moet krijgen: het gooien van een keesje. Het is over het algemeen iets wat uitgebreid geoefend wordt, want het is een kunst op zich.

Het werpen van een keesje is een kunst op zich, maar ik verklaar mijn eerste poging als geslaagd. Foto's: Mihnea Udrea. Het werpen van een keesje is een kunst op zich, maar ik verklaar mijn eerste poging als geslaagd. Foto's: Mihnea Udrea.

Voordat je het keesje kan gooien, moet je eerst de werplijn voorbereiden. Je begint aan de kant met het keesje en wikkelt de lijn zo vaak mogelijk om je hand heen tot je hand vol is. Het is zaak de verschillende slagen van de werplijn netjes achtereenvolgend en niet door elkaar te laten lopen, zodat de werplijn vloeiend uitrolt als het keesje overboord vliegt. In relatief kleine slagen wikkel je door tot je ongeveer de helft hebt opgebruikt. Je legt het opgerolde deel netjes op het dek en zet je voet op het touw, terwijl je de rest in grotere slagen om je hand wikkelt. Als je rechtshandig bent, houd je dat deel in je linkerhand, terwijl je het keesje met de korter omgewikkelde werplijn in je rechterhand neemt.

Je neemt een korte aanloop en in theorie zou je dan het keesje met een vloeiende beweging in een rechte lijn naar de kade moeten gooien terwijl het touw zich probleemloos afwikkelt. Ik schrijf bewust “in theorie”, want bij mij ging dat natuurlijk niet zo. Waar Richard zijn keesje keurig ver van het schip op de kade wist te laten landen (in een mooie rechte lijn), plofte die van mij een paar meter van het schip op de kade, terwijl de werplijn eruitzag zoals mijn breiwerkjes op de basisschool: vol met knopen en niet meer herkenbaar. Als ik bij de Nautische Dienst had gezeten, was ik ongetwijfeld hartelijk uitgelachen, maar Gerard en Richard hielden zich keurig in. Maar als rasoptimist verklaarde ik het experiment als geslaagd, want het keesje was op de kade beland én ik had het andere eind van het touw nog in mijn handen om aan een tros te kunnen bevestigen.

Het was een ontzettend leerzame dag aan boord van één van onze “eigen” schepen en als ik ooit nog overweeg bij de Marine te gaan, dan wil ik graag bij de Nautische Dienst. Die mogen namelijk de leukste dingen doen aan boord. Dank aan de Nautische Dienst van Zr.Ms. Johan de Witt voor hun warme ontvangst. En een speciaal woord van dank voor Gerard die me met veel geduld alle handelingen en termen heeft uitgelegd en me maar een heel klein beetje liet voelen dat ik geen natuurtalent ben in het gooien van keesjes.